Familieleningen zijn overige vorderingen bij rechtsherstel box 3
Gepubliceerd op: 29 oktober 2026
Een vrouw geeft in haar aangifte IB 2021 een box-3-vermogen aan van € 1.534.313. Tot dit vermogen behoren drie vorderingen van tezamen € 362.823. Daarvan hebben er twee betrekking op hypothecaire leningen aan kinderen en één vordering betreft een lening aan een voormalig familielid. Het rentepercentage van de vorderingen bedraagt 2,5%. De inspecteur heeft deze vorderingen bij toepassing van de Wet rechtsherstel box 3 aangemerkt als ‘overige bezittingen’. De vrouw meent echter dat de vorderingen als deposito’s tot de ‘banktegoeden’ moeten worden gerekend, waardoor zij recht heeft op aanvullend rechtsherstel. Heeft zij een punt?
Hof Arnhem-Leeuwarden stelt vast dat de wetgever voor de afbakening van banktegoeden bewust heeft willen aansluiten bij de definitie van deposito’s in de zin van artikel 1:1 Wft. De door de vrouw genoemde kenmerken van de vorderingen voldoen niet aan deze definitie. Bij toepassing van de Wet rechtsherstel box 3 kunnen zij dan ook niet als ‘banktegoed’ worden aangemerkt, maar moeten zij als ‘overige bezitting’ in aanmerking worden genomen.
Gelijkheidsbeginsel
Ook een beroep op het gelijkheidsbeginsel biedt de vrouw geen soelaas. Het risicoprofiel en de onderhandelingsruimte bij vorderingen wijken namelijk wezenlijk af van die bij banktegoeden, aldus het hof.