Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat de dga een fictief voordeel heeft genoten. Uit de correspondentie tussen de (voormalige) accountant en de inspecteur blijkt dat de stamrecht-bv aan het begin van 2022 nog een rekening-courantvordering op de dga had van € 42.578. Omdat de dga dat jaar nog kosten en loonheffing voor zijn rekening nam, resteerde per saldo een bedrag van € 36.095. Dit bedrag moest alsnog in de loonheffing worden betrokken om de bv uiteindelijk vrij van schulden te kunnen liquideren. Dit bedrag had de dga eigenlijk moeten terugbetalen.

Verrekening
Uit de stukken blijkt verder dat de stamrecht-bv in 2022 eigenlijk stamrechtuitkeringen aan de dga moest betalen, maar daarvoor niet de financiële middelen had. De dga en zijn bv waren elkaar dus over en weer nog geld verschuldigd. Deze schulden zijn in 2022 met elkaar verrekend tot een bedrag van € 36.095. Daardoor hoefde de dga dit bedrag niet meer aan zijn bv terug te betalen. Hij heeft dan (fiscaal gezien) een voordeel genoten. Over dit voordeel moet belasting worden betaald. Het verzoek om ambtshalve vermindering is terecht afgewezen.