De rechtbank stelt vast dat de liquide middelen op het moment van de schenking niet overtollig waren. In de jaren na de schenking zijn grote investeringen gedaan. Het is daarom aannemelijk dat de middelen waren bedoeld voor de materiële onderneming van de bv.
De twee beleggingen kunnen niet tot het ondernemingsvermogen worden gerekend. De ene belegging ziet op de verhuur van een bedrijfspand. Hierbij wordt niet voldaan aan de arbeid-plus en rendement-plus-toets. De andere belegging betreft de verhuur van een woning, maar deze werd slechts aangehouden in afwachting van mogelijke projectontwikkeling.