Hof Den Haag oordeelde in 2023 dat de maatstaf van heffing moest worden verlaagd. Voorwaarde is dat de oninbare vordering en de prestatie een rechtstreeks verband hebben. Dit verband wordt vooral vanuit economisch en financieel perspectief beoordeeld, aldus het hof. Gelet op doel en strekking van de vorming van een FE moet geen onderscheid worden gemaakt binnen deze belastingplichtige. Aangezien beide bv’s tot de FE behoren, zijn zij voor de btw-heffing geen te onderscheiden belastingplichtigen. Het maakt volgens het hof voor de btw-heffing dan ook niet uit wie het mobiele toestel aan de consument levert. Deze economische prestatie wordt aan de FE toegerekend.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad oordeelt dat dit uitgangspunt onjuist is. Ook bij een FE moet voor de toepassing van artikel 29, lid 1 Wet OB vaststaan dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de onbetaalde vergoeding en de prestatie waarvoor de btw is berekend. De contractuele betrekkingen met de afnemer zijn daarbij beslissend. Daaruit volgt immers waarvoor de afnemer moet betalen. Dat de aan de FE deelnemende bv’s voor de btw als één belastingplichtige worden behandeld, betekent niet dat het juridische onderscheid tussen hun contractuele verplichtingen tegenover derden niet relevant wordt.

De zaak wordt verwezen naar Hof Amsterdam. Dit hof moet uitzoeken of de onbetaalde aflossingstermijnen volgens de contractuele verhoudingen daadwerkelijk (een deel van) de vergoeding vormen voor de levering van de mobiele telefoon.