een dochter erft van haar overleden moeder de aandelen in een bv. de bv bezit zes verhuurde bedrijfspanden, onderverdeeld in vijftien units. de dochter meent dat op de verkrijging van de aandelen de bedrijfsopvolgingsregeling (bor) van toepassing is. zij onderbouwt dit met een opsomming van de werkzaamheden die zij in eigen beheer verricht. toch is
hof amsterdam het met de inspecteur eens dat de dochter de bor niet kan toepassen, omdat de bv geen materiële onderneming drijft. alle activiteiten zijn namelijk naar aard en omvang niet meer dan wat gebruikelijk is bij normaal vermogensbeheer. bovendien hebben de activiteiten niet tot doel om een hoger rendement te behalen.