een dga houdt via zijn holding-bv de aandelen in enkele werk-bv’s. hij heeft zich in 2006 borg gesteld voor een krediet aan de werk-bv’s. de werk-bv’s gaan failliet, waarna de dga in 2014 wordt aangesproken door de bank. hij trekt vervolgens de betaalde borgsom van € 60.000 af in zijn ib-aangifte 2014 als negatief row. rechtbank noord-holland oordeelt dat de inspecteur de aftrek terecht heeft geweigerd. hij maakt aannemelijk dat een onafhankelijke derde op het moment van het sluiten van de borgstellingsovereenkomst niet bereid zou zijn geweest om onder de gestelde voorwaarden eenzelfde (debiteuren)risico te aanvaarden. de borgstelling is onzakelijk.
de volgende feiten en omstandigheden zijn van belang voor het oordeel dat er sprake is van een onzakelijke borgstelling op het moment van het aangaan van de borgstellingovereenkomst:
de werk-bv’s drijven een kapitaalintensieve onderneming en hadden een negatief eigen vermogen;
de dga heeft zich voorafgaand aan de borgstelling niet vergewist van de bestaande resultaatprognoses;
de borgstelling is niet schriftelijk vastgelegd;
er zijn geen zekerheden bedongen (dat was ook niet mogelijk, omdat de zekerheden die de werk-bv’s zouden kunnen aanbieden al aan de bank waren verstrekt);
er zijn geen voorwaarden gesteld waaronder de borgstellingsovereenkomst zou eindigen.