Het hof stelt vast dat niet in geschil is dat de (voormalige) praktijkruimte ten tijde van de verkrijging van de onroerende zaak behoorde bij het woongedeelte, daarbij in gebruik was en daaraan dienstbaar was. Een aanhorigheid kan zich ook binnen de buitenmuren van een gebouw bevinden. Een andersluidende uitleg zou als onlogisch gevolg hebben dat het voor de toepassing van het 2%-tarief op een ruimte met een oorspronkelijke niet-woningbestemming uitmaakt of deze losstaat, dan wel tegen een bestaand gebouw is aangebouwd of niet. Dit terwijl het gebruik ten tijde van de verkrijging hetzelfde is. Een losstaande of aangebouwde praktijkruimte die in gebruik is genomen als werkkamer bij een woning zou dan wel voor het 2%-tarief in aanmerking komen, terwijl dat niet het geval zou zijn als deze praktijkruimte zich binnen dezelfde muren van het bouwwerk bevindt als het woongedeelte.

Objectieve maatstaven

Anders dan bij de beoordeling of een bouwwerk een andere bestemming heeft gekregen (van niet-wonen naar wonen en andersom), wordt bij de beoordeling of sprake is van een aanhorigheid enkel gekeken of de onroerende zaak naar objectieve maatstaven ten tijde van de verkrijging behoort en in gebruik is bij en dienstbaar is aan een woning.