verwijzing voor bewijs naar verhuisdozen nekt inspecteur
Gepubliceerd op: 18 juni 2020
een inspecteur laat in een strafrechtelijke procedure tegen drie bv’s en drie personen die aan deze bv’s verbonden zijn, 23 verhuisdozen met bewijstukken inbrengen in het geding. daarnaast voegt hij de bewijstukken uit de dozen - die van belang zijn voor de belastingprocedures - in twee aparte ordners bij. de rechtbank verzoekt de inspecteur op grond van artikel 8:32a awb (substantiëringsplicht) om aan te geven welke bewijsstukken uit de dozen van belang zijn voor welke stellingen. de inspecteur stelt dat álle bewijsstukken in de 23 dozen van belang zijn voor alle stellingen die hij inneemt. de rechtbank oordeelt dat hij daarmee niet voldoet aan de substantiëringplicht en laat alle 23 dozen buiten beschouwing.
de rechtbank betrekt in deze tussenuitspraak vervolgens alleen de bewijstukken in de twee ordners in de procedure. aanleiding voor het inroepen van de substantiëringsplicht door de rechtbank was:
de omvang van het strafdossier;
de van belang zijnde bewijsstukken in de twee ingebrachte ordners; en
het verdedigingsbelang van de belanghebbenden
‘op de zaak betrekking hebbende stukken’
de verdediging nam tevens de stelling in dat de 23 verhuisdozen geen ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’ waren en dat deze ook daarom bij de beoordeling buiten beschouwing moesten worden gelaten. maar volgens de rechtbank was een principiële beslissing of de verhuisdozen als zodanig zijn aan te merken, niet relevant. de inspecteur was vrij om dat te doen.