Rechtbank Zeeland-West-Brabant geeft de vrouw geen gelijk. Uit de ingediende aangiften Vpb en dividendbelasting blijkt dat de bv een dividenduitkering van € 200.000 heeft gedaan aan haar enig aandeelhouder (de man). Deze dividenduitkering wordt geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop zij ter beschikking is gesteld. Dat is volgens de ingediende dividendaangifte op 21 december 2021. Als een dividenduitkering ter beschikking is gesteld, is de belastbaarheid daarvan een gegeven. Of de ava wel of geen goedkeuring voor de dividenduitkering heeft gegeven, doet voor de belastbaarheid van die uitkering niet ter zake. Er heeft namelijk een vermogensverschuiving (van € 200.000) van de bv aan de aandeelhouder plaatsgevonden, waarvan zij zich beiden ook bewust zijn geweest.

Terugbetaling dividend

Een eventuele toekomstige terugbetaling van de dividenduitkering door de aandeelhouder heeft geen invloed op de belastbaarheid van de dividenduitkering. Een dergelijke terugbetaling moet als kapitaalstorting worden aangemerkt, nu de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een terugbetalingsverplichting was verbonden aan de uitkering op 21 december 2021. De navorderingsaanslag blijft in stand.