ondanks zes maanden bewoning toch geen laag ovb-tarief
Gepubliceerd op: 5 september 2024
een man en een vrouw kopen in juni 2021 een woning die op 5 januari 2022 wordt geleverd. zij betalen hierbij 8% overdrachtsbelasting (ovb). in oktober 2021 kopen zij een tweede woning die op 8 februari 2022 wordt geleverd en waarbij zij 2% ovb betalen. tijdens de verbouwing van deze woning verblijven zij van 7 januari 2022 tot 12 augustus 2022 in de eerst aangekochte woning. de man maakt bezwaar tegen de aangifte ovb voor deze woning en stelt dat hij ook hiervoor slechts 2% ovb verschuldigd is. de inspecteur wijst het bezwaar af, omdat de intentie zou ontbreken om de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te gaan gebruiken.
rechtbank den haag oordeelt dat bij de aankoop van de eerste woning terecht 8% ovb is voldaan. het echtpaar had op het moment van de levering van deze woning (5 januari 2022) niet de intentie om de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te gaan gebruiken. daarbij is van belang dat op dat moment de tweede woning al was gekocht. zij wisten dus toen al dat zij slechts gedurende de verbouwing van deze woning in de eerste woning zouden gaan wonen. dat die bewoning meer dan zes maanden heeft geduurd, doet er dan niet meer toe. naast de duur van de feitelijke bewoning is ook de intentie op het moment van de verkrijging van de woning van belang.