Rechtbank Gelderland oordeelt dat de man aannemelijk maakt dat de tot de dochter-bv behorende hangar in gemengd gebruik is, en dat – als er sprake zou zijn van een IB-onderneming – deze als keuzevermogen zou kwalificeren. Hij en zijn dochter verrichten hun werkzaamheden vanuit het kantoor in de hangar. De dochter-bv gebruikt een deel van de hangar voor de verhuur en stalt er vliegtuigen. Verder worden met de verhuur van het vliegtuig substantiële opbrengsten behaald, die tot de ondernemingsactiviteiten moeten worden gerekend. In dat geval mag de hangar tot het ondernemingsvermogen worden gerekend voor de toepassing van de doorschuifregeling ab in de inkomstenbelasting. Volgens de rechtbank blijkt dit uit de parlementaire geschiedenis bij de bedrijfsopvolgingsregeling voor de Successiewet en het standpunt van de kennisgroepen aanmerkelijk belang en Successiewet.