geen premieaftrek voor lijfrente bij holding bij verkoop onderneming aan derde
Gepubliceerd op: 1 december 2022
een man heeft een maatschapsaandeel dat hij tot het vermogen van zijn eenmanszaak rekent. ook is hij directeur en enig aandeelhouder van een holding-bv. in 2013 verkoopt hij zijn maatschapsaandeel aan een andere bv. ter grootte van de stakingswinst en de oudedagsreserve bedingt hij een lijfrente bij zijn holding-bv en trekt hij de lijfrentepremie af in zijn aangifte ib 2013. aanvankelijk volgt de inspecteur de aangifte, maar als hij er in 2018 achter komt dat het maatschapsaandeel niet aan de holding is verkocht maar aan een derde, corrigeert hij de lijfrentepremieaftrek en legt hij een navorderingsaanslag op. maar heeft hij wel een nieuw feit?
in 2020 is de man overleden, waarna de erfgenamen de procedure voortzetten. maar zowel bij de rechtbank als bij hof den bosch krijgen zij geen gelijk. de inspecteur beschikt over een nieuw feit. uit de ib-aangifte over 2013 blijkt namelijk niet dat het maatschapsaandeel aan een derde is overgedragen. vervolgens maken de erfgenamen niet aannemelijk dat de man zijn onderneming, die geheel bestond uit zijn maatschapsaandeel, had ingebracht in de holding-bv. aangezien de man de lijfrentepremie heeft betaald aan een ander (de holding-bv) dan aan de bv waaraan hij zijn maatschapsaandeel heeft overgedragen, kan hij de premie niet in aftrek brengen. de navorderingsaanslag is terecht opgelegd.