Eind 2012 bestaande eigenwoninglening geen box-3-schuld
Een man heeft in 2009 de aankoop van een eigen woning gefinancierd met onder meer een aflossingsvrije hypotheek. Deze lening kwalificeert op 31 december 2012 als eigenwoningschuld in box 1. De man geeft deze schuld in zijn IB-aangifte 2016 echter aan als box-3-schuld. De inspecteur stelt dat de aflossingsvrije hypotheek op 1 januari 2013 een eigenwoningschuld in box 1 is gebleven op grond van het overgangsrecht. De man stelt in sprongcassatie dat het overgangsrecht voor hem ongunstig is vanwege de lage rentetarieven in samenhang met de hoge eigenwoningwaarden. De Hoge Raad geeft hem geen gelijk.
De Hoge Raad oordeelt onder verwijzing naar de conclusie van Procureur-Generaal (PG) Pauwels dat het overgangsrecht ter zake van de invoering van de aflossingseis voor op 31 december 2012 bestaande eigenwoningschulden (artikel 10bis.1 Wet IB 2001) algemeen en dwingend is geformuleerd. Voor op 31 december 2012 bestaande eigenwoningschulden is de eerbiedigende werking verplicht, ook als dit nadelig uitvalt. Het is niet mogelijk om hiervan af te wijken. Het overgangsrecht gaat vóór de rangorderegeling (artikel 2.14 Wet IB 2001).
Gelijke gevallen ongelijk behandeld?
Ook het standpunt van de man dat gelijke gevallen ten onrechte ongelijk worden behandeld, haalt het niet. Volgens de man hebben belastingplichtigen die een eigenwoninglening zijn aangegaan ná 31 december 2012 meer mogelijkheden om te box-hoppen dan belastingplichtigen met een eigenwoninglening van vóór 1 januari 2013. Voor de eigenwoninglening van laatstgenoemden geldt verplicht het overgangsrecht en daardoor vallen deze leningen verplicht in box 1.
De Hoge Raad volgt de PG ook ten aanzien van dit standpunt van de man. Het valt binnen de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever om onderscheid te maken tussen bestaande leningen (vóór 2013) en nieuwe leningen (ná 2012) en om bestaande leningen te behandelen volgens het regime dat gold op 31 december 2012. Omdat dit onderscheid is toegestaan, gaat het in deze zaak om een ongelijke behandeling van ongelijke gevallen. In theorie kan dat toch in strijd zijn met het discriminatieverbod, als de ongelijke behandeling disproportioneel is vanuit mensenrechtelijk perspectief. Een verschil in ‘box-hop’-mogelijkheden valt daar niet onder te scharen.