een vrouw koopt een woning van een stichting. in de koopovereenkomst is een zelfbewoningsplicht afgesproken. ook mag zij de woning slechts verhuren met toestemming van de stichting, voor maximaal 1 jaar. de vrouw verhuurt de woning van december 2017 tot december 2018 en verblijft zelf tijdelijk in een huurwoning. de inspecteur meent dat de woning tijdens de verhuur een eigen woning is gebleven. hij belast daarom 70% van de werkelijke huurinkomsten.
rechtbank zeeland-west-brabant beslist echter anders. de verhuur hoeft het karakter van hoofdverblijf niet te ontnemen, maar onder de gegeven omstandigheden is dat niet het geval en valt de woning in box 3.