De partner mocht hier op grond van het testament onder voorwaarden op interen. Bij zijn overlijden zou het resterende vermogen overgaan op de verwachters. Na het eerste overlijden was € 611.152 aan erfbelasting verschuldigd. De partner betaalde € 251.152 uit het bezwaarde vermogen en € 360.000 uit zijn eigen vermogen. Enkele maanden later overleed hij onverwacht. Zijn erfgenamen verlangden vervolgens dat de verwachters de door hem uit eigen vermogen betaalde € 360.000 zouden vergoeden. Zij stelden dat de erfbelasting ten laste van het bezwaarde vermogen had moeten komen.

Rechtbank Noord-Holland gaat daarin niet mee. Artikel 36 Successiewet wijst de verkrijger aan als belastingplichtige. Volgens de rechtbank betekent dit dat de partner ook draagplichtig was voor de erfbelasting. Dat de erfbelasting op grond van artikel 4:7 BW een nalatenschapsschuld is, maakt dit niet anders. Dat artikel regelt volgens de rechtbank vooral de mogelijkheid om de belastingschuld op de goederen van de nalatenschap te verhalen; het bepaalt niet wie de belasting uiteindelijk moet dragen.

Omdat bij een tweetrapsmaking bepaalde vruchtgebruikbepalingen van overeenkomstige toepassing zijn, was nog aangevoerd dat de verwachters het door de bezwaarde voorgeschoten bedrag moesten terugbetalen. Ook dat argument faalde: de erfbelasting drukte volgens de rechtbank op het vermogen van de bezwaarde en niet op het bezwaarde vermogen. De nalatenschap van de partner had daarom geen vergoedings- of regresrecht op de verwachters.