Aan wie komt het nabestaandenpensioen toe?
Jan is de zoon uit het eerste huwelijk van Arie en heeft nog twee zussen. Arie is daarna hertrouwd met Anja (stiefmoeder). Zowel Arie als Anja bouwde pensioen op bij het bedrijfstakpensioenfonds voor het beroepsvervoer over de weg. Arie komt in 2020 te overlijden en Anja heeft recht op een stukje nabestaandenpensioen. Het pensioenfonds kan Anja niet vinden, aangezien zij in het buitenland woonde. Vervolgens komt ook Anja te overlijden, waarbij Jan de enig erfgenaam is. Het pensioenfonds gaat het nabestaandenpensioen van Arie alsnog uitkeren. Maar naar wie moet dat gaan – alleen naar Jan of ook naar de twee zussen?
Jan is van mening dat het nabestaandenpensioen hem toekomt, als enig erfgenaam. Het pensioenfonds maakt uit de verklaring van erfrecht op dat er nog twee zussen zijn. Volgens het fonds is een pensioen een persoonlijk recht dat niet overgaat op de erfgenamen. Erfrecht is dus niet van toepassing op pensioen. Het fonds kiest ervoor om het niet uitgekeerde pensioen niet te laten vervallen, maar uit coulance uit te keren aan de nabestaanden. De nabestaanden zijn de partner of, als die er niet is, de (stief)kinderen. De drie kinderen van Arie waren voor Anja stiefkinderen en daar gaat de uitkering naartoe, ieder voor 1/3 deel. Jan laat het er niet bij zitten en vordert bij Rechtbank Noord-Nederland de gehele uitkering. De kantonrechter oordeelt dat het nabestaandenpensioen geen onderdeel uitmaakt van Anja’s nalatenschap. De aanspraak is niet onder algemene titel overgegaan, omdat het persoonlijke rechten zijn die verknocht zijn aan de overledene (hier Anja). Dat blijkt uit de Pensioenwet, maar ook uit jurisprudentie van de Hoge Raad. Jan heeft hierdoor geen vordering op het pensioenfonds en krijgt daardoor dus “maar” 1/3.