BTW

Prejudiciële vragen aan Hoge Raad inzake schadeafwikkelingsdiensten

Een fiscale eenheid (FE) biedt schadeverzekeringen aan voor vracht- en personenauto’s. Onder de dekking valt ook de schade die in een andere EU-lidstaat wordt opgelopen. In dat geval wordt de schade afgewikkeld door een verbonden schaderegelaar ter plaatse, die daarvoor facturen uitreikt aan de FE. De FE past de verleggingsregeling toe voor deze facturen, maar meent dat zij de verlegde btw niet verschuldigd is. Volgens de FE zouden de schadeafwikkelingsdiensten en de verzekeringsdiensten één prestatie vormen, die vrijgesteld is van btw. Rechtbank Noord-Nederland vraagt de Hoge Raad of de FE hier een punt heeft.

Als de twee prestaties samen niet één prestatie kunnen vormen, is de verlegde btw voor de FE een kostenpost, omdat zij als vrijgestelde verzekeraar de btw niet in aftrek kan brengen. Twee prestaties kunnen samen voor de btw één prestatie vormen doordat de ene prestatie als bijkomende prestatie opgaat in de hoofdprestatie (i.c. de verzekeringsdienst) of waarbij er economisch sprake is van een ondeelbare prestatie. In deze casus vraagt de rechtbank zich af of twee prestaties samen ook één prestatie kunnen zijn als die prestaties worden verricht door twee verschillende dienstverrichters (FE en de buitenlandse schaderegelaar) aan twee verschillende afnemers (de verzekeringnemer respectievelijk de FE). In een binnenlandse situatie speelt dit niet, omdat de FE (een verzekeraar) de schade dan zelf afhandelt.

Relevantie voor de praktijk
Mocht de Hoge Raad het mogelijk achten dat twee verschillende ondernemers samen één prestatie verrichten, dan zou dat ook gevolgen kunnen hebben voor andere samenwerkende ondernemers die samen een product of dienst op de markt brengen.