Volgens het standpunt van de Belastingdienst kan een vakantieadres onder omstandigheden worden aangemerkt als tijdelijke verblijfplaats. Als een werknemer daar feitelijk verblijft met enige duurzaamheid, kan de reis van dat adres naar de werkplek worden gezien als woon-werkverkeer. In dat geval kan de gerichte vrijstelling voor reiskostenvergoeding worden toegepast. De feitelijke situatie geeft daarbij de doorslag; het gaat om waar iemand daadwerkelijk verblijft en niet alleen om de formele woonadresregistratie. Ook speelt de zogenoemde 24-uursbenadering een rol: alleen als binnen 24 uur heen en terug wordt gereisd tussen verblijfplaats en werkplek, kan er sprake zijn van woon-werkverkeer.
Voorbeeldsituaties
In het standpunt worden twee voorbeelden gegeven. In het eerste voorbeeld verblijft een werknemer elk weekend op een camping. De rit van de camping naar het werk op maandag en op vrijdag van het werk naar de camping kan dan niet worden aangemerkt als woon-werkverkeer. In het tweede voorbeeld is er wel sprake van woon-werkverkeer, omdat de werknemer drie maanden op de camping verblijft en dagelijks heen en weer reist tussen de camping en het werk.
Praktische effecten
Voor werkgevers betekent dit dat reiskosten vanaf een vakantieadres niet automatisch privé zijn. In sommige gevallen kunnen deze onder de gerichte vrijstelling vallen, waardoor ze niet ten laste komen van de vrije ruimte van de WKR. Wel blijft een goede beoordeling per situatie noodzakelijk. Zonder duidelijke vastlegging kan snel discussie ontstaan over de kwalificatie van de reis, met mogelijk fiscale correcties als gevolg.
Tip
Het is belangrijk dat binnen de organisatie duidelijke afspraken worden gemaakt over de beoordeling van tijdelijke verblijfplaatsen. Leg vast wanneer een vakantieadres als verblijfplaats geldt, zodat reiskosten correct kunnen worden verwerkt binnen de WKR.