Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden geeft Sophie gelijk, maar op grond waarvan? Volgens artikel 21, lid 8 van de Successiewet (SW) is de leegwaarderatio een wettelijke rekenmethode om de waarde van een verhuurde woning te bepalen voor de erf- en schenkbelasting. Omdat een woning in verhuurde staat door de huurbescherming minder opbrengt bij verkoop, mag de woning voor de belastingheffing lager worden gewaardeerd dan de normale WOZ-waarde. Deze waardevermindering geldt echter niet als de woning door de huurder of diens partner als erfgenaam wordt verkregen (zoals in de situatie van Sophie). Volgens de inspecteur is, door de quasi-wettelijke verdeling, geen sprake van een verkrijging krachtens erfrecht. Hij stelde de erfbelasting daarom vast alsof Sophie mede een aandeel in de woning had verkregen. Omdat Sophie huurder én erfgenaam is, hield de inspecteur daarom geen rekening met de leegwaarderatio. De andere twee kinderen kregen die vermindering wel; zij waren immers alleen erfgenaam, géén huurder. Hun belastbare verkrijging kwam daardoor uit op € 38.358, terwijl bij Sophie € 56.479 werd belast.
Sophie erft geen woning, maar een vordering
Het hof oordeelt dat er geen sprake is van een contractuele verdeling, maar van een verdeling die zijn grondslag vindt in het erfrecht volgens Boek 4 BW. De erfgenamen hebben verdeeld alsof sprake was van een wettelijke verdeling, waardoor de kinderen een vordering krachtens erfrecht hebben verkregen. Voor de heffing van erfbelasting moet daarom rekening worden gehouden met de (onderbedelings)vordering. Omdat Sophie geen onverdeelde eigendom in de door haar gehuurde woning verkreeg, was voor de fiscale bepaling van de nalatenschap geen sprake van de combinatie erfgenaam – huurder. Daarom kon de verhuurde woning, net zoals bij haar zussen, ook voor de erfbelasting van Sophie met de leegwaarderatio van 62% worden gewaardeerd.