Aftrek onder opschortende voorwaarde verleende partneralimentatie terecht geweigerd
Gepubliceerd op: 1 oktober 2026
Een man en zijn ex-vrouw spreken in 2016 in een echtscheidingsconvenant af dat de vrouw recht heeft op € 2.000 per maand partneralimentatie, zodra haar dienstverband bij zijn advocatenkantoor eindigt. Het dienstverband eindigt uiteindelijk op 1 april 2020. Toch trekt de man in zijn aangifte IB 2019 al € 48.000 aan partneralimentatie af. Hij stelt dat hij de verplichting tot betaling van de partneralimentatie alvast heeft verrekend met een vordering die hij op zijn ex-vrouw had. De inspecteur weigert de aftrek. Terecht, oordeelt Hof Den Bosch. In 2019 is nog niet voldaan aan de opschortende voorwaarde. De man was toen nog niet verplicht om te betalen. Een verrekening is dan dus nog niet mogelijk.
In deze zaak speelt ook nog een formeel geschil. De man meent namelijk dat de inspecteur een verklaring van zijn ex-vrouw tijdens de bezwaarfase ten onrechte niet aan hem heeft toegestuurd. Daarmee zouden het vertrouwensbeginsel en het fair play-beginsel zijn geschonden. Ook deze stelling wijst het hof af. De inspecteur is tijdens de bezwaarfase verplicht om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen en de belastingplichtige op het inzagerecht te wijzen. Maar hij is niet verplicht op deze stukken toe te sturen. De inspecteur had de man uitgenodigd voor een hoorgesprek en gewezen op zijn inzagerecht, maar hem heeft daarvan afgezien. Er is daardoor geen strijd met de genoemde algemene beginselen.