Een man heeft een cumulent spaarplan uit de jaren ’90 waarvan hij vindt dat het een woekerpolis is. Hij stuurt eind 2019 een brief naar de Belastingdienst met de vraag “Of ik het geld mag opnemen.” De waarde van de polis was toen rond de € 40.000. De Belastingdienst schrijft terug dat bij de afkoop alleen geen revisierente is verschuldigd, maar dat de afkoop op zich wel belast is in box 1. In 2020 ontvangt de man de afkoopsom en hij geeft in de aangifte IB over dat jaar de afkoopsom aan. Desondanks gaat hij in bezwaar tegen de (conform de ingediende aangifte) opgelegde aanslag. Hij vindt dat sprake is van een spaarsaldo en niet van een lijfrenteproduct.
De inspecteur wijst het bezwaar af. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De man gaat in hoger beroep, maar ook bij Hof Den Bosch vangt hij bot. Ook het hof concludeert dat het gaat om een lijfrenteproduct en dat de uitkering terecht in box 1 is belast. Het hof constateert bovendien dat de man het product nooit als spaartegoed in box 3 had aangegeven. In het verleden had hij wel de premies in aftrek gebracht. Het hof ziet in dat de man teleurgesteld is over de hoogte van het uiteindelijk aan hem uitgekeerde bedrag. De kwalificatie als woekerpolis leidt echter niet tot een andere fiscale uitkomst.