Rechtbank Noord-Holland stelt vast dat de inbreng van de onderneming onderdeel uitmaakt van een geheel van rechtshandelingen gericht op de overdracht van de onderneming. De man heeft op dezelfde dag zijn maatschapsaandeel ingebracht in zijn personal holding gevolgd door een dooroverdracht daarvan in de opgerichte bv die op haar beurt tegen uitreiking van aandelen de onderneming heeft ingebracht in de dochter-bv. Daarbij zijn het bedrijfspand en de verbonden leningen achtergebleven in de bv. Hierdoor staat vast dat de ingebrachte onderneming binnen drie jaar is overgedragen aan de dochter-bv. Daarmee komt de man niet in aanmerking voor de geruisloze omzettingsfaciliteit. Daarvoor is namelijk vereist dat de ingebrachte onderneming wordt voortgezet door de bv waarin deze is ingebracht.
Geen andere opties
De man kan ook geen beroep doen op de goedkeuringen in het Besluit geruisloze omzetting (Besluit). De man voldoet namelijk niet aan de voorwaarden van onderdeel 4.2.2. van het Besluit, waardoor de doorinbreng door de bv in de dochter-bv niet aan de faciliteit in de weg zou staan. Vaststaat namelijk dat geen fiscale eenheid tot stand is gekomen tussen de bv en de dochter-bv. Ook is toepassing van de bedrijfsfusiefaciliteit bij de doorinbreng in de dochter-bv niet mogelijk, omdat het bedrijfspand is achtergebleven in de bv en dit niet kwalificeert als (zelfstandig onderdeel van) een onderneming.
Tip
Als onroerende zaken in een tussenholding achterblijven, kan de doorinbreng niet met toepassing van de bedrijfsfusiefaciliteit plaatsvinden. Maar in dat geval kan wel gebruikgemaakt worden van de fiscale eenheid. Het is dan van belang dat de fiscale eenheid wordt aangevraagd binnen 3 maanden na de oprichting van de bv’s en met als ingangsdatum de oprichtingsdatum van deze bv’s. In deze zaak was dat kennelijk niet gebeurd.