De man meent ten eerste dat de rente van 4% een ongerechtvaardigde inbreuk vormt op zijn eigendomsrecht, zoals beschermd door artikel 1 EP bij het EVRM. Ook vindt hij dat dit percentage in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De Hoge Raad gaat hier – onder verwijzing naar de uitspraak van 16 januari 2026 – niet in mee.

Belastingrente 1 tot en met 20 oktober 2020

Het andere punt waartegen de man zich verweert, betreft de toepassing van het 4%-tarief over de periode 1 oktober tot en met 20 oktober 2020. Hij meent dat hiervoor een rechtsgrond ontbreekt. De belastingrentebeschikking was immers vóór 1 oktober 2020 (namelijk 26 september 2020) opgelegd.

Legaliteitsbeginsel

De Hoge Raad stelt voorop dat belastingheffing en berekening van belastingrente in beginsel niet zijn toegestaan wanneer:

  • de regeling waarop de belastingheffing of renteberekening berust, nog niet in werking is getreden op het tijdstip waarop die heffing plaatsvindt; of
  • die rente in rekening wordt gebracht. Daarvoor bestaat namelijk op dat moment nog geen juridische grondslag.

Op grond van dit legaliteitsbeginsel was de inspecteur dus op 26 september 2020 nog niet bevoegd om het per 1 oktober 2020 geldende rentepercentage toe te passen op een toekomstig tijdvak. Hier doet niet aan af dat de rentebeschikking deels betrekking heeft op een tijdvak waarin het gewijzigde rentetarief (4%) in werking zou zijn getreden. Dat ten tijde van het vaststellen van de rentebeschikking al bekend was dat – en wanneer – het rentetarief van 4% zou gaan gelden, rechtvaardigt evenmin een uitzondering op het legaliteitsbeginsel. Ook de omstandigheid dat de eerder in 2020 ingevoerde verlaging van het rentetarief (0,01%) als tijdelijke coronamaatregel was bedoeld, geeft daartoe geen aanleiding.

Over de periode 1 tot en met 20 oktober 2020 is 0,01% belastingrente van toepassing. De berekende belastingrente moet daarom worden verminderd van € 194 naar € 124.