een zoon krijgt van zijn ouders vijf schenkingen, die zijn vastgelegd in vijf afzonderlijke notariële akten, die op één dag gepasseerd zijn. vier van de vijf schenkingen vinden plaats onder de opschortende voorwaarde dat de langstlevende ouder in leven is op een bepaald moment. de inspecteur vindt dat de schenkingen zozeer met elkaar samenhangen dat er sprake is van één periodieke uitkering (artikel 18, lid 2 sw). de
hoge raad gaat daar niet in mee. doordat vier van de vijf schenkingen opschortende voorwaarden bevatten, zijn er volgens artikel 1, lid 9 sw vijf afzonderlijke schenkingen tot stand gekomen in vijf verschillende jaren. samentelling moet achterwege blijven.