waardering stamrechtverplichting – tegen welk rentepercentage?
Gepubliceerd op: 7 augustus 2019
een belastingplichtige bedong in 2010 bij zijn bv een stamrechtuitkering van € 20.600, die ingaat per maart 2021. de beschikbare koopsom was ruim € 268.000. eind 2010 wil deze belastingplichtige de voorziening voor dit stamrecht waarderen op € 272.900. daarbij houdt hij rekening met een rente van 3%. de inspecteur komt uit op een veel lagere voorziening, namelijk € 229.900 (waarbij 4% rente is gehanteerd). de rechter geeft de inspecteur in deze zaak gelijk. de wet inkomstenbelasting schrijft in artikel 3.29 voor de waardering van dergelijke voorzieningen dwingend een rente voor van ten minste 4%.
de belastingplichtige stelt zich op het standpunt dat de inspecteur artikel 3.29 buiten toepassing had moeten laten. hij voert hiertoe aan dat er door de toepassing van het genoemde artikel een winst ontstaat, die in werkelijkheid niet is gemaakt. immers, de marktrente lag in dat jaar onder de 4%. de rechter oordeelt terecht dat de wetgever de bevoegdheid heeft om dergelijke voorschriften op te stellen. dit ondanks het feit dat de waarderingswijze van artikel 3.29 strijdig is met het realiteitsbeginsel van het goed koopmanschap. een juiste beslissing van de rechter, in een kwestie die sinds 2010 alleen maar meer onder vuur is komen te liggen. immers, de huidige marktrente beweegt zich rond de 0%!