het vermogen van een belastingplichtige bestaat uit bank- en spaartegoeden, die hij deels voor zijn oudedagsvoorziening wenst te gebruiken. daarom is hij van mening dat een gedeelte van de tegoeden niet in de heffing van box 3 mag worden betrokken. de
rechter is het hier niet mee eens. de wetgever heeft immers geen uitzondering gemaakt voor bank- en spaartegoeden met de bestemming oudedagsvoorziening. ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel (werknemerspensioen) gaat niet op. om van de fiscale faciliteiten van werknemerspensioen gebruik te kunnen maken, moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. de belastingplichtige heeft hierin verzaakt.