Begin oktober 2011 bedingt een DGA een stamrecht ter grootte van € 130.000 van zijn vennootschap. Het stamrecht vindt zijn oorsprong in een ontslagvergoeding die de DGA heeft ontvangen van zijn voormalige werkgever. In een periode van nog geen twee weken na het bedingen van het stamrecht wordt het totale bedrag van € 130.000 als lening onttrokken aan de vennootschap. De rechter oordeelt dat nu het gegeven onderpand geen reële waarde had - de privéwoning 'stond onder water' - het stamrecht feitelijk was afgekocht.
De DGA probeerde de dans nog te ontspringen door te stellen dat de periode tot het moment waarop de uitkeringen moesten ingaan (2024) lang genoeg was om de liquiditeiten van de bv aan te vullen. Deze stelling mocht hem niet baten. Het bleek namelijk dat de DGA tot eind 2013 twee aflossingstermijnen had voldaan en dat hij daarna geen betalingen meer had gedaan. Zijn tot dan toe getoonde betalingsmoraliteit wekte met het oog op de toekomst dus weinig vertrouwen.