een in zwitserland wonende belastingplichtige had in 1994 een lijfrenteverzekering afgesloten. de einddatum van deze verzekering was 1 juni 2017. jegens de verzekeringsmaatschappij had hij niet tijdig aangegeven wat hij wilde: periodieke uitkeringen bedingen of de lijfrente nog uitstellen. daardoor is dan sprake van een fictieve afkoop, waarbij belasting én revisierente in rekening worden gebracht. de belastingplichtige en de belastingdienst zijn het erover eens dat er sprake is van een fictieve afkoop. maar ze verschillen van mening over het punt of er terecht revisierente in rekening is gebracht. hoe oordeelt de rechter in deze zaak?
de rechter oordeelt dat de belastingdienst terecht revisierente heeft berekend; de belastingplichtige heeft geen feiten gesteld waaruit blijkt dat dit anders had moeten zijn.