Het kabinet kondigt vier aanpassingen aan:
- Tijdelijke vervanging. De pseudo-eindheffing geldt niet voor een vervangende auto die tijdelijk wordt gebruikt omdat de vaste auto schade heeft, wordt gerepareerd, onderhoud krijgt of een bandenwissel nodig heeft. Deze uitzondering geldt maximaal 14 aaneengesloten kalenderdagen. Zo hoeft een werkgever in hetzelfde tijdvak niet voor zowel de vaste auto als de vervangende auto eindheffing te betalen. Garagebedrijven krijgen hierdoor ook meer tijd om hun vervangend vervoer te elektrificeren.
- Verlenging van de overgangstermijn. De overgangstermijn voor de pseudo-eindheffing wordt verlengd van 17 september 2030 naar 1 januari 2031. Daardoor hoeft de administratie niet midden in het boekjaar te worden aangepast. De staatssecretaris merkt ook nog op dat als een werknemer vanwege een fusie of overname van werkgever wisselt, het overgangsrecht van toepassing blijft.
- Beperkte vrijstelling tot 1 januari 2031. Er komt een beperkte vrijstelling voor één periode van maximaal 7 aaneengesloten dagen per kalenderjaar waarin een auto ter beschikking wordt gesteld. Deze vrijstelling vervalt op 1 januari 2031. Deze maatregel voorkomt dat tijdelijk vervoer, zoals huurauto’s, al per 1 januari 2027 volledig elektrisch moet zijn. Werkgevers kunnen tot 1 januari 2031 elk kalenderjaar één keer maximaal 7 aaneengesloten dagen een fossiele personenauto tijdelijk aanbieden, zonder eindheffing te betalen. In de praktijk worden veel huurauto’s al bijna volledig zakelijk gebruikt. In die situaties is de eindheffing vaak al niet van toepassing.
- Vrijstelling voor lesauto’s. Rijscholen moeten voorlopig nog in fossiele auto’s lesgeven. Dat is nodig voor een volwaardig rijbewijs B. Rijscholen kunnen de pseudo-eindheffing voorkomen door geen privékilometers met de lesauto te maken. Als een instructeur vanuit huis direct met de lesauto naar een leerling rijdt, is er bovendien geen sprake van woon-werkverkeer. De instructeur reist dan namelijk niet naar een vaste werkplek. In de praktijk kunnen er toch situaties zijn waarin woon-werkverkeer of privékilometers niet helemaal te voorkomen zijn. Ook kan het lastig zijn om te bewijzen dat een lesauto alleen zakelijk is gebruikt en niet voor woon-werkverkeer. Daarom komt er een specifieke vrijstelling voor lesauto’s.