Onderneming en Recht

Ontbreken van baten leidt tot afwijzing verzoek eigen aangifte faillissement

Het vergaat een onderneemster niet goed, waardoor zij op 22 januari ter griffie van de rechtbank een verzoek indient voor faillietverklaring. Uit de door haar overgelegde stukken en de behandeling tijdens de zitting wordt duidelijk dat de aangeefster gestopt is met betalen. Hiermee voldoet zij aan de eisen in de Faillissementswet, om op eigen aangifte in staat van faillissement te worden verklaard. Toch ontstaat er een probleem: het faillissement beoogt het vermogen te vereffenen voor de gezamenlijke schuldeisers. Daarom is het van belang om vast te stellen of er sprake is van vermogen. De onderneemster is hier duidelijk over: haar onderneming beschikt over geen enkele bate. Wat nu?

Er zijn geen debiteuren, (on)roerende zaken en er is ook geen sprake van een bedrijfspand of personeel – uitgezonderd de onderneemster zelf. Ook zijn de bedrijfsactiviteiten inmiddels geruime tijd gestaakt. Op basis van die gegevens lijkt er dus geen te executeren vermogen te zijn. In dat geval levert het doen van een eigen aangifte tot faillietverklaring misbruik van recht op. Het verzoek tot faillietverklaring wijst de rechtbank om die reden af.

 

Tip

De rechtbank wijst er (ten overvloede) op dat de aangeefster mogelijk kan worden ontbonden, op grond van artikel 2:19, lid 1 BW. In de regel gebeurt dit door een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders. De rechtspersoon die op het tijdstip van zijn ontbinding geen baten meer heeft, houdt op te bestaan (artikel 2:19, lid 4 BW). In dat geval moet het bestuur van de rechtspersoon opgaaf hiervan doen bij de registers waar deze rechtspersoon is ingeschreven. Vervolgens zullen de crediteuren c.q. zal de crediteur in het kader van een eventueel verzoek tot faillietverklaring aannemelijk moeten maken dat:

  1. er toch baten zijn; en
  2. dat hij/zij bij vereffening (enige) betaling zou(den) hebben ontvangen.