een franchisenemer sluit een franchisecontract met een groot supermarktconcern. tijdens de precontractuele fase verstrekt de franchisegever een omzetprognose. in de praktijk blijkt de werkelijke omzet ver achter te blijven bij de geprognosticeerde omzet. de franchisenemer wil daarom het franchisecontract laten vernietigen. hij vindt dat de verstrekte prognose onzorgvuldig en ondeugdelijk was. de
hoge raad oordeelt echter dat uit de redelijkheid en billijkheid geen precontractuele informatieplicht voortvloeit voor de franchisegever. dat blijkt evenmin uit de europese erecode inzake franchising. maar onder bijzondere omstandigheden kan de franchisegever wel onrechtmatig handelen.