De bv stelt dat de aftrek terecht is en dat grootboekkaarten voldoende onderbouwing vormen. Ook verwijst de bv naar een vermeende omzetcorrectie, maar de rechtbank stelt vast dat de inspecteur uiteindelijk géén omzetcorrectie van € 66.384 heeft toegepast; het gaat uitsluitend om correctie van de (te hoge) aftrek van voorbelasting. De bewijslast voor het recht op aftrek ligt bij de ondernemer. De rechtbank wijst hier expliciet op artikel 15, eerste lid, onderdeel a, Wet OB 1968. Dit vermeldt dat aftrek van voorbelasting alleen mogelijk is voor omzetbelasting die andere ondernemers in rekening brengen op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur. Ontbreekt een factuur, dan ontbreekt daarmee de basis voor aftrek. Grootboekkaarten en interne overzichten zijn daarvoor onvoldoende; ze zijn niet ‘controleerbaar en verifieerbaar’ als bewijs van een aan de ondernemer uitgereikte btw‑factuur. Daarom zijn de correcties van de aftrek terecht en blijven de naheffingsaanslagen in stand.

Vergrijpboeten van tafel
Voor de praktijk is dit echt een evergreen: zonder correcte facturen geen aftrek van voorbelasting. Ook niet als de administratie verder netjes lijkt, of als je meent dat de kosten evident zakelijk zijn. Gelukkig gingen in deze zaak de vergrijpboeten wel van tafel. Tijdens de procedure in eerste aanleg zag de inspecteur kennelijk in dat er geen sprake is van opzettelijk of grof schuldig handelen. In eerste aanleg is namelijk niet langer in geschil dat de vergrijpboeten moeten worden vernietigd. De Rechtbank Zeeland-West-Brabant volgt partijen in hun standpunt. Daarmee laat de zaak zien dat vergrijpboeten niet automatisch overeind blijven als er discussie is over de opzet of grove schuld. Bovendien kan de Belastingdienst in bezwaar of beroep alsnog erkennen dat geen sprake is van verwijtbaar handelen of dat een boete niet passend is.