Volgens het hof is er geen sprake van een duurzame organisatie van arbeid en kapitaal die door deelname aan het economische verkeer niet alleen winst beoogt te halen, maar die ook redelijkerwijs kan verwachten. De vrouw voldoet niet aan deze criteria op grond van de volgende feiten en omstandigheden:

  • De vrouw heeft geen bedrijfsinvesteringen gedaan en geen duurzame organisatie opgezet.
  • De aan ondernemingsactiviteiten bestede uren zijn uit ronde getallen opgemaakt, globaal geschat en veelal omschreven als vrijwilligerswerk.
  • Alhoewel er in geringe mate sprake is van voorbereidende werkzaamheden, is er geen kenbaar bedrijfsplan of realistisch doel.
  • De vrouw heeft bijna geen omzet gegenereerd in het jaar 2020.
  • Nergens is uit af te leiden dat omzet in de toekomst redelijkerwijs wel kan worden verwacht. Ook de cijfers van de in latere jaren ingediende aangiften IB/PVV laten dat niet zien.

De vrouw voldoet hierdoor niet aan de criteria voor IB-ondernemerschap. Zij heeft daarom geen recht op toepassing van de ondernemersfaciliteiten.