Fiscaal

Verstrekking en kwijtschelding onzakelijke lening niet per se een schenking

gepubliceerd op: 18 april 2024

Een vader houdt alle aandelen in een holding-bv. Hij verstrekt in 2008 aan de bv van zijn zoon een onzakelijke lening. De bv van de zoon leent dit bedrag door aan een gelieerde bv, waarvan de bv’s van zijn broer en zus ook aandeelhouders zijn. In 2009 neemt de holding-bv deze lening over, waarna zij de lening in 2014 kwijtscheldt. De inspecteur stelt dat met het verstrekken van de lening een schenking heeft plaatsgevonden onder de opschortende voorwaarde dat het debiteurenrisico van de onzakelijke lening zich manifesteert. Dat is volgens de inspecteur bij de kwijtschelding in 2014 het geval, maar de Hoge Raad gaat hier niet in mee.

De Hoge Raad oordeelt dat het verstrekken van een onzakelijke lening niet al naar zijn aard meebrengt dat daarmee een gift van het bedrag van de hoofdsom plaatsvindt. Ook is er dan geen sprake van een gift onder de opschortende voorwaarde dat het debiteurenrisico zich verwezenlijkt. De Hoge Raad geeft vervolgens aan in welke situaties er wel sprake kan zijn van een gift bij het verstrekken van een onzakelijke lening:

  • het verstrekken van de onzakelijke lening houdt een gift in van een als vruchtgebruik aan te merken rentevoordeel;
  • bij het verstrekken van de onzakelijke lening is bepaald dat het geleende bedrag niet hoeft te worden terugbetaald als er wordt voldaan aan een opschortende voorwaarde. De gift betreft dan de hoofdsom.

De Hoge Raad gaat ervan uit dat het hof het oog heeft gehad op dit laatste punt. Het hof heeft terecht geoordeeld dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat partijen impliciet of expliciet de afspraak hebben gemaakt dat de lening zou worden kwijtgescholden. De aanslag schenkbelasting is daarom ten onrechte opgelegd.

 

Hoewel deze informatie met zorg is samengesteld, adviseren wij om bij twijfel onze adviseurs te raadplegen voor een actueel en passend advies.