een man verkoopt de antieke inventaris van een klooster. de goederen kreeg hij van zijn vader, die de inventaris mocht meenemen bij de ontruiming van het klooster. nadat de man de verkoopopbrengst als row had aangegeven in zijn ib-aangifte, komt hij daarop terug en geeft hij in een herziene ib-aangifte geen row meer aan. de inspecteur is daar terecht niet in meegegaan, oordeelt
hof den bosch. er is namelijk sprake van row, omdat de man niet aannemelijk maakt dat de goederen slechts voor persoonlijk gebruik bestemd zijn. gezien de hoeveelheid en opslag van de goederen ligt het oogmerk van verkoop voor de hand. het feit dat de vader de goederen schonk, doet daar niet aan af.