De man maakt bezwaar tegen de naheffingsaanslag en stelt dat hij helemaal geen OVB verschuldigd is. Hij beroept zich daarbij op de vrijstelling van artikel 3, lid 1, onderdeel b WBR voor een verkrijging krachtens verdeling van een huwelijksgemeenschap.

Rechtbank Noord-Nederland gaat hier niet in mee. Er is namelijk geen sprake van een verdeling van een huwelijksgemeenschap. Het overgedragen vermogen was van de ex-vrouw en behoorde niet tot een gemeenschap. De verkrijging is daarom geheel belast met OVB.

Waardering en verdeling

De man meent dat voor de waardebepaling moet worden uitgegaan van de WOZ-waarden. De inspecteur heeft de totale waarde van de verkrijging op € 600.000 vastgesteld. Hij onderbouwt deze waarde met de waardebeoordeling van een taxateur. Daarin is de onroerende zaak gewaardeerd aan de hand van drie referentieverkopen. De waarde van de bedrijfsgrond is afgeleid uit vijf losse bouwgrondtransacties. Vervolgens heeft de inspecteur de totale waarde toegerekend aan het woondeel (€ 395.250), de bedrijfsopstallen (€ 114.750) en de bedrijfsgrond (€ 90.000). Daarbij is het woondeel belast met 2% OVB, zijn de bedrijfsopstallen vrijgesteld van OVB en is de bedrijfsgrond belast met 8% OVB.

Oordeel rechtbank

De rechtbank oordeelt dat de WOZ-waarden niet leidend zijn voor de heffing van OVB. De WOZ-waarden zijn wel relevant als indicatie. De inspecteur heeft daarentegen de totale waarde van de verkrijging aannemelijk gemaakt. De rechtbank volgt echter bij de toedeling van de totale waarde het standpunt van de man ten aanzien van de waardebepaling van de bedrijfsopstallen (WOZ-waarde € 226.000). Deze opstallen zijn namelijk aanzienlijk groter dan de referentieobjecten. Daarnaast stelt de rechtbank de waarde van de bedrijfsgrond schattenderwijs vast op € 65.000. Voor het woondeel resteert dan dus nog een waarde van € 309.000. De rechtbank vermindert de naheffingsaanslag OVB.