een vrouw verricht sinds 2001 laad- en losactiviteiten en administratieve werkzaamheden voor de ambulante groente- en fruithandel van haar broer. hiervoor ontvangt zij jaarlijks een vergoeding tussen € 2.950 en € 5.230, die zij aangeeft als resultaat uit overige werkzaamheden. in 2015 breidt zij, na echtscheiding, haar activiteiten uit en ontvangt zij € 8.786 aan vergoeding, die zij in haar ib-aangifte aangeeft als winst uit onderneming. ook past ze de ondernemingsfaciliteiten toe.
hof den bosch oordeelt dat de vrouw geen ib-ondernemer is. zij heeft namelijk slechts één opdrachtgever, ze heeft niet geïnvesteerd en loopt ook overigens geen ondernemersrisico.