lening eindigt civielrechtelijk pas bij kwijtschelding
Gepubliceerd op: 22 juli 2021
een erflater hield alle aandelen in een holding-bv en dreef daarnaast een eenmanszaak. de holding-bv verstrekte in 1992, 1993 en 1994 leningen aan de eenmanszaak. daarbij had zij zekerheden bedongen, maar die heeft zij niet gebruikt. in 2015 schold de holding-bv de vorderingen (inmiddels € 838.367) kwijt om de continuïteit van de eenmanszaak te waarborgen. de inspecteur heeft de afwaardering gecorrigeerd en aangemerkt als uitdeling aan de erflater. volgens de erfgenamen waren de vorderingen uiterlijk eind 1995 al opeisbaar. doordat de holding-bv toen haar rechten niet had benut, zouden de vorderingen toen al het vermogen van de holding-bv hebben verlaten.
volgens rechtbank gelderland moet ook in dit geval fiscaal de civielrechtelijke werkelijkheid worden gevolgd. civielrechtelijk is er tot het moment van de kwijtschelding sprake van een lening. alleen bij een schijnlening, bodemlozeputlening of deelnemerschapslening op het moment van het aangaan van de lening geldt een fiscaal afwijkende kwalificatie. deze uitzonderingen doen zich hier echter niet voor.