een danser/artiest brengt in zijn aangifte ib over 2015 verschillende kosten ten laste van zijn winst uit onderneming. de inspecteur schrapt de aftrek van het merendeel van de kosten, omdat de danser/artiest de zakelijkheid van die kosten niet aannemelijk maakt. rechtbank noord-holland oordeelt dat het aan de danser/artiest is om de zakelijkheid van de afgetrokken kosten aannemelijk te maken. daarin slaagt hij niet. er is geen sprake van schending van het legaliteitsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel of motiveringsbeginsel, noch van enig ander algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.
volgens de danser/artiest zou de schending van het legaliteitsbeginsel in het feit liggen dat de inspecteur in zijn uitspraak op bezwaar had verwezen naar een uitspraak van hof amsterdam, die was gewezen onder de oude wet ib 1964. de rechtbank geeft aan dat die stelling onjuist is, omdat:
de inspecteur de zakelijkheid van de kosten wel op grond van de wet ib 2001 heeft beoordeeld; en
de relevante wettelijke bepalingen uit de wet ib 1964 ongewijzigd zijn overgenomen in de wet ib 2001. hierdoor zijn de wetsgeschiedenis en de rechtspraak betreffende deze gelijkluidende bepalingen van belang gebleven voor de uitleg van de betreffende artikelen in de wet ib 2001.