Geen HIR voor herwaarderingswinst door verbreking fiscale eenheid
Gepubliceerd op: 5 april 2018
Een bv vormt een fiscale eenheid (FE) met een dochter-bv. Zij draagt in 2007 binnen de FE een onroerende zaak over aan de dochter-bv. Deze bv wordt op 1 oktober 2010 verkocht, waardoor de FE wordt verbroken en de antimisbruikbepaling van artikel 15ai Wet Vpb in werking treedt. Hierdoor ontstaat een herwaarderingswinst van ruim € 2,5 miljoen, die de bv onderbrengt in een HIR. Die boekt zij in 2011 af van de aankoop van een belang in een onroerendgoedmaatschap. De inspecteur heeft de vorming van de HIR terecht geweigerd, oordeelt de Hoge Raad. Herwaarderingswinst die is ontstaan door artikel 15ai Wet Vpb toe te passen, is geen vervreemdingsopbrengst voor toepassing van de HIR.
De Hoge Raad volgt met dit oordeel de conclusie van Advocaat- Generaal (A-G) Wattel. Herwaarderingswinst die is ontstaan door toepassing van artikel 15ai Wet Vpb kan volgens de AG niet aan een HIR worden gedoteerd, omdat dit niet strookt met de bedoeling van de wetgever. Uit de wetsgeschiedenis en de tekst van artikel 15ai Wet Vpb blijkt dat de wetgever heeft willen uitsluiten dat uitstel van winstneming over het ontvoegingstijdstip heen plaatsvindt.