een vrouw gaat in 2001 een maatschap aan met haar echtgenoot, die een akkerbouwbedrijf uitoefent. zij brengt het gebruik en genot van enkele percelen bouwgrond in. op haar openingsbalans neemt zij de bouwgrond op voor de waarde in vrij opleverbare staat. nadat haar man in 2009 is overleden, staakt zij haar onderneming in 2010. er ontstaat een geschil over de hoogte van de stakingswinst. de
hoge raad oordeelt dat rekening moet worden gehouden met het langdurige gebruiksrecht dat op de bouwgrond rust. uit de maatschapsakte blijkt dat de grond op 1 januari 2001 namelijk niet meer vrij opleverbaar was. de boekwaarde van de bouwgrond is daardoor lager en de stakingswinst dus hoger.