doorschuiffaciliteit ook bij 1% (middellijk) belang van holding-bv in maatschap
Gepubliceerd op: 12 maart 2020
een vader houdt alle aandelen in een holding-bv, die op haar beurt alle aandelen houdt in een werk-bv. de winst van de werk-bv bestaat uit de winst uit een belang van 1% in een maatschap. de andere maten in die maatschap zijn de vader en zijn zoon. de vader treedt begin 2012 uit de maatschap. in november 2014 draagt hij de aandelen in de holding-bv over aan zijn zoon tegen schuldigerkenning van de koopsom, die hij later kwijtscheldt. hoewel de maatschap een materiële onderneming drijft, wijst de inspecteur het verzoek om toepassing van de doorschuiffaciliteit ex artikel 4.17c wet ib toch af vanwege de geringe omvang van het (indirecte) belang. ten onrechte, oordeelt hof arnhem-leeuwarden.
het hof oordeelt dat de doorschuiffaciliteit van artikel 4.17c wet ib ook geldt in verband met de schenking van de aandelen in de holding-bv aan de zoon. vaststaat dat de maatschap een materiële onderneming drijft en dat een maatschap voor de ib- en vpb-heffing transparant is. dit houdt in dat de winst van maatschap voor 1% aan de werk-bv moet worden toegerekend. de omvang van het belang in de maatschap is daarbij niet van belang.