Box-3-heffing ook al in 2013 te hoog maar aanslag blijft in stand
Gepubliceerd op: 1 februari 2018
Een man geeft in zijn IB-aangifte over 2013 een box-3-vermogen aan van € 157.330, dat geheel bestaat uit bank- en spaartegoeden en premiedepots in Nederland. Hij vindt dat de box-3-heffing in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en tekent bezwaar aan tegen de IB-aanslag over 2013. Terecht, oordeelt Hof Amsterdam. Gedurende een lange reeks van jaren was het forfaitaire rendement van 4% niet meer haalbaar. Daarom is er strijd met het Eerste Protocol bij het EVRM. Toch moet de aanslag in stand blijven, omdat de wetgever tijd moet worden gegund om de disbalans weg te nemen. In dit geval is er bovendien geen sprake van een individuele en excessieve last door de inkomens- en vermogenspositie van de man.
Net als in de zaak over het jaar 2014 baseert het hof zijn oordeel onder meer op het rapport van de Commissie Dijkhuizen ‘Naar een activerender belastingstelsel’. En net als in de zaak over 2014 biedt het oordeel ook nu geen soelaas voor de belastingplichtige, doordat het hof ook nu de wetgever enige tijd gunt om de schending van het eigendomsrecht weg te nemen. Maar het hof voegt daar ook iets aan toe, namelijk dat ook de individuele inkomens- en vermogenspositie van de belastingplichtige van belang is voor het oordeel of er sprake is van een individuele en excessieve last. Ook in deze zaak heeft de Hoge Raad het laatste woord.