box-3-heffing in 2017 en 2018 in strijd met eu-recht
Gepubliceerd op: 20 augustus 2021
rechtbank noord-nederland oordeelt in twee massaalbezwaarprocedures dat de box-3-heffing voor 2017 en 2018 in strijd is met discriminatieverbod van artikel 14 evrm. sinds de nieuwe opzet van box 3 vanaf 2017 weet de wetgever volgens de rechtbank dat sparen en beleggen twee heel verschillende activiteiten zijn voor wat betreft de daaruit te verwachten inkomsten. de inkomsten uit beleggen zijn een veelvoud van de inkomsten uit sparen. ook weet de wetgever dat 40% van de belastingplichtigen met box-3-vermogen alleen spaart. toch worden deze belastingplichtigen belast alsof zij ook beleggen, met een (veel) hogere belastingdruk als resultaat. hiervoor ontbreekt een rechtvaardiging, aldus de rechtbank.
de rechtvaardiging van de wetgever voor het niet aansluiten bij de werkelijke samenstelling van het box-3-vermogen – de uitvoerbaarheid van de box-3-heffing en de mogelijkheid van arbitrage – is onvoldoende om 40% van de belastingplichtigen te confronteren met een hogere belastingdruk.
opnieuw weinig soelaas
toch leidt dit ook in deze zaak niet tot een vermindering van de box-3-heffing in 2017 en 2018, omdat de rechtbank het ontstane rechtstekort niet kan repareren. daarvoor moeten keuzes gemaakt worden die aan de wetgever zijn. dat geldt ook als de rechtbank zou oordelen dat de box-3-heffing in strijd is met artikel 1 eerste protocol evrm. de beroepen worden daarom toch ongegrond verklaard.