een man gaat in beroep tegen de aan hem opgelegde navorderingsaanslagen. hij is het niet eens met de box-3-heffing over zijn spaartegoeden over de periode 2007
– 2015. volgens de man vormt die heffing voor hem een individuele en buitensporig zware last. zijn behaalde werkelijke rendement is namelijk – zelfs na inflatiecorrectie – lager dan de box-3-heffing over de tegoeden.
hof amsterdam geeft hem geen gelijk en verwijst hiervoor naar de uitspraak van de
hoge raad van 21 juli 2021. de aanwezigheid van een buitensporige last moet worden bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van de man en zijn echtgenote. die situatie maakt dat er geen sprake is van een buitensporige last.