borg staan bij negatief vermogen bv duidt op onzakelijke borgstelling
Gepubliceerd op: 10 oktober 2024
een dga staat in 2004 borg voor bankleningen van zijn holding-bv. in 2007 gaat de dga een tweede borgstelling aan voor zijn holding-bv en haar dochter-bv. de eigen vermogens van de holding-bv en haar dochter-bv zijn op dat moment negatief. nadat de bank hem hierop heeft aangesproken, wil de dga in 2017 de daardoor ontstane regresvordering afwaarderen als tbs-verlies. de inspecteur corrigeert de afwaardering, omdat de borgstelling onzakelijk zou zijn. hof den haag is het hiermee eens. de inspecteur maakt aannemelijk dat een onafhankelijke derde onder deze omstandigheden de tweede borgstelling niet zou aangaan.
het hof stelt naast de negatieve vermogens vast dat :
de tweede borgstelling niet schriftelijk is vastgelegd;
de dga, de holding-bv en de dochter-bv geen borgstellingsvergoeding zijn overeengekomen;
er geen zekerheden zijn gesteld;
de aansprakelijkstelling zowel de oude als de nieuwe schulden betreft, zonder dat er een einddatum is overeengekomen.
het hof concludeert op grond van het bovenstaande dat de dga de tweede borgstelling is aangegaan vanuit aandeelhoudersmotieven, waardoor dit zich afspeelt in de kapitaalsfeer. de regresvordering kan de dga dan niet aftrekken van zijn inkomen.