bor terecht toegepast bij verhuur tankstation na schenking aandelen
Gepubliceerd op: 8 december 2022
een vader schenkt in 2014 zijn aandelen in een holding-bv aan zijn zoon. de holding houdt alle aandelen in een dochter-bv, die eigenaar is van een benzineservicestation. zij verhuurt dit benzinestation aan een (klein)dochter-bv, die het exploiteert. de schenking heeft plaatsgevonden met toepassing van de bor. binnen een jaar na de schenking wordt de onderneming verhuurd aan een derde. de inspecteur legt een navorderingsaanslag op, omdat niet aan het voortzettingsvereiste is voldaan. de hoge raad oordeelt dat de bor voor dit vereiste bij lichamen het stakings- en vervreemdingsbegrip uit de wet ib 2001 volgt.
slechts als de specifieke aard van de bor daarom vraagt, wordt hierop een uitzondering gemaakt. die doet zich hier niet voor. de hoge raad noemt als uitzonderingen die volgen uit de aard van de bor:
de doorschuifregeling van artikel 3.63 wet ib 2001; en
de inbreng van een onderneming in een samenwerkingsverband, waarbij de winstgerechtigdheid wijzigt en waarbij een voorbehoud stille reserves is gemaakt.
de specifieke aard van de bor vraagt niet om een uitzondering als enkel de exploitatie wijzigt door de overgang naar verhuur van de zelf geëxploiteerde onderneming.