besluit subjectieve vrijstelling stichtingen en verenigingen aangepast
Gepubliceerd op: 7 april 2022
het besluit over de subjectieve vrijstelling die binnen de vpb geldt voor stichtingen en verenigingen is geactualiseerd. daarbij zijn de onderdelen over de aanvangsjaren (2.2) en de beoordeling van de winstgrenzen (3) aangepast en in lijn gebracht met de hoge raad-uitspraak van 21 januari 2022. in het nieuwe onderdeel 3.1 zijn hiertoe de gevolgen van deze uitspraak beschreven voor de jaren waarvan de definitieve aanslag is opgelegd voor 21 januari jl. en de terugwenteling van verliezen naar die jaren. ook is hier een goedkeuring opgenomen, waarmee eindafrekeningswinst achterwege kan blijven bij sfeerovergang als de belastingplicht in strijd blijkt te zijn geweest met de hoge raad-uitspraak.
een stichting of vereniging die een onderneming drijft, is onder voorwaarden vrijgesteld van vennootschapsbelasting. de vrijstelling geldt als in een boekjaar niet meer dan € 15.000 winst wordt behaald. is de winst hoger, dan kan deze toch vrijgesteld zijn, zolang de winst samen met de winst van de voorafgaande maximaal vier jaren niet meer bedraagt dan € 75.000. de hoge raad oordeelde in de uitspraak van 21 januari 2022 dat de vereniging de winstgrens in het derde jaar niet pro rata (3/5) maar onverkort mocht toepassen, dus ook als zij haar onderneming nog geen vijf jaren drijft. daarnaast blijkt uit de uitspraak dat de 5-jaarstermijn van de vrijstelling pas start vanaf het eerste jaar dat de stichting of vereniging een onderneming drijft – en dus niet vanaf haar oprichting.