Alsnog herverdeling inkomsten eigen woning leidt tot vernietiging aanslag
Een vrouw bereikt in 2022 de AOW-leeftijd. Zij geeft in haar aangifte IB 2022 een AOW-uitkering aan en belastbare inkomsten uit eigen woning van € 12. De inspecteur heeft haar begin 2022 een voorlopige teruggaaf verleend van € 723. Die vordert hij terug, omdat haar inkomen niet uitsluitend bestond uit de AOW-uitkering. Zou dat wel zo zijn, dan had de vrouw de voorlopige teruggaaf niet hoeven terug te betalen. Een aanslag zou dan namelijk achterwege zijn gebleven (artikel 9.4, lid 3, onderdeel a Wet IB 2001). In beroep verzoekt de vrouw, mede namens haar partner, om de inkomsten uit de eigen woning aan haar partner toe te rekenen. Maar leidt dit tot het gewenste resultaat?
Rechtbank Gelderland stelt vast dat het verzamelinkomen van de vrouw na de herverdeling uitsluitend uit een AOW-uitkering bestaat, waardoor de uitzondering van artikel 9.4, lid 3, onderdeel a Wet IB 2001 dan dus wel van toepassing is. De stelling van de inspecteur dat artikel 9.4, lid 4 Wet IB 2001 van toepassing is, omdat er sprake is van negatieve bestanddelen, volgt de rechtbank niet. De inspecteur heeft de voorlopige teruggaaf vastgesteld op basis van een verzamelinkomen van nihil. De teruggaaf vindt zijn oorzaak in de heffingskorting, wat geen negatief inkomensbestanddeel is. Ook is hier geen sprake van negatieve bestanddelen in de zin van een aftrekpost eigen woning, omdat ter zake van de eigen woning juist een positief bedrag van € 12 bij het inkomen is geteld.
Redelijke wetstoepassing
De rechtbank buigt zich vervolgens over de vraag of de herverdeling van het inkomen uit de eigen woning van € 12 tot het gewenste resultaat kan leiden dat de vrouw het ontvangen voorschotbedrag van € 723 niet hoeft terug te betalen. Dat resultaat wordt namelijk niet bereikt met een vermindering van de aanslag met de € 12 voor de eigen woning. De bij voorschot uitbetaalde heffingskorting moet dan nog steeds worden terugbetaald. Maar een redelijke wetstoepassing brengt mee dat de aanslag toch moet worden vernietigd. Er is hier namelijk sprake geweest van een kleine vergissing bij het doen van de aangifte, met als gevolg dat de vrouw het voordeel zou mislopen dat de wetgever bewust in de wet heeft opgenomen voor de groep mensen die voor hun AOW-gerechtigde leeftijd geen inkomsten hadden en daarom elk jaar (bij voorschot) de heffingskorting uitbetaald kregen. Als zij in de loop van een kalenderjaar recht krijgen op AOW en daarom geen recht meer hebben op die uitbetaling van de heffingskorting, hoeven zij de uitbetaalde heffingskorting niet terug te betalen. De vrouw behoort tot deze groep en zij behoort dit voordeel dus ook te krijgen. De kleine vergissing bij de aangifte, die door de herverdeling is hersteld, is onvoldoende om haar dit voordeel te onthouden.