een holding-bv verkoopt in 2015 de aandelen van drie dochter-bv’s. zij betaalt vervolgens € 1.371.534 aan afscheidsbonussen aan het personeel van de verkochte dochter-bv’s. de bonussen worden betaald uit de verkoopopbrengst van de aandelen. de holding-bv trekt de verstrekte afscheidsbonussen af van haar winst. de inspecteur meent dat sprake is van (niet-aftrekbare) vervreemdingskosten die onder de deelnemingsvrijstelling vallen. in sprongcassatie oordeelt de hoge raad dat de kosten aftrekbaar zijn. een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen de afscheidsbonussen en de verkoop van de aandelen van de dochter-bv’s ontbreekt.
de hoge raad acht van belang dat de kosten van de afscheidsbonussen in geen enkel opzicht bijdragen aan de totstandkoming van de verkoop van de aandelen van de dochter-bv’s. de bonussen zijn eerder een gevolg van de verkoop van de aandelen, omdat uit de verkoopopbrengst de bonussen konden worden uitbetaald.